English Site Algemeen Pensioenfonds Kennisgeving Pensioenregeling Actueel   Dekkingsgraad   Documenten  

Historisch overzicht

In 1966 werd door de directie van Fluor Nederland N.V. een pensioentoezegging aan het personeel gedaan waarvoor door de onderneming een verzekeringsovereenkomst werd afgesloten met de Levensverzekerings-maatschappij Utrecht met een looptijd van 10 jaar.

In 1975 werd de Stichting Pensioenfonds Fluor Nederland opgericht en de pensioen-toezegging werd met ingang van 1 januari 1976 aanmerkelijk verbetert. Er werd gekozen voor uitvoering via een "eigen" pensioenstichting op basis van de volgende uitgangspunten:

  • Het (op termijn) uit kunnen voeren van de pensioentoezegging voor lagere kosten dan bij rechtstreekse verzekering.
  • Het financieren van verbeteringen in de pensioentoezegging en het toekennen van vrijwillige toeslagen op de ingegane pensioenen uit de reserves.
  • Stabilisering van de kosten voor de werkgever door het overeenkomen van een beperkt variabele premiebetaling als percentage van de uitbetaalde salarissen.
Het premieniveau werd op basis van gedetailleerde actuariële berekeningen zodanig vastgesteld dat het fonds zowel de koopsommen als de backservice lasten gedurende een reeks van jaren zonder problemen zou moeten kunnen financieren zonder terug te moeten vallen op de werkgever.

Met het ondertekenen van de financieringsovereenkomst tussen het fonds en de werkgever werden alle pensioenverplichtingen van de werkgever door het fonds overgenomen en nam het fonds op zich de onderneming te vrijwaren voor eventuele toekomstige aanspraken voortvloeiende uit de eerder door de onderneming gedane pensioentoezegging.

Het fonds ging vervolgens over tot het afsluiten van een volledige herverzekeringsovereenkomst met Fortis ASR te Utrecht met een looptijd van tien jaar en een beperkt aandeel in de overrente op de beleggingen, uitsluitend belegd in vastrentende waarden, door Fortis ASR. Sindsdien hebben zich grote veranderingen voorgedaan in de pensioenwereld.

Het pensioenfonds van Fluor heeft het allemaal meegemaakt, doorgemaakt en zich in de periode van oprichting in 1975 tot en met ultimo 2000 voorspoedig ontwikkeld tot een volwaardig pensioenfonds met een belegd vermogen van ruim 220 miljoen Euro (jaar 2007). In de loop van het jaar 2001 doen zich echter ontwikkelingen voor die grote invloed zullen hebben op de financiële positie en ontwikkeling van het fonds in de komende jaren. Herbezinning is noodzakelijk over tal van aspecten m.b.t. de uitvoering van de pensioentoezegging waarbij inzicht m.b.t. de gebeurtenissen uit het verleden gewenst is om de juiste beslissingen te kunnen nemen voor de toekomst.

Hieronder wordt een beknopt overzicht gegeven van de financiële ontwikkeling van het fonds zoals die in de loop van de tijd hebben plaatsgevonden.

De jaren zeventig
Oprichting van het fonds in 1975. Er wordt de eerste jaren in principe alleen maar premie betaald en afgedragen aan de herverzekeraar. Er zijn nog maar een tien tot twintig gepensioneerden. De premie ligt op een comfortabel niveau voor het betalen van de premie aan de herverzekeraar.

De jaren tachtig
Er wordt volledig premie betaald. Er wordt door de herverzekeraar alleen in vastrentende waarden belegd. De renteopbrengsten zijn hoog en de inflatie laag. Er ontstaat een premieoverschot. In 1985 wordt de herverzekeringsovereenkomst met tien jaar verlengd.

Het fonds gaat voor 95% delen in de overrente op de beleggingen. Er wordt alleen in vastrentende waarden belegd. Jaarlijks kan per saldo gemiddeld een paar miljoen gulden aan de algemene reserve worden toegevoegd. De beschikbare middelen na premiebetaling worden in eigen beheer belegd Alleen de pensioenen van de vanuit actieve dienst gepensioneerden worden aangepast.

Vanaf 1987 moeten ook de pensioenen van de passief gepensioneerden worden aangepast. De kosten van de toeslagen spelen nog geen belangrijke rol zodat de aanpassing van de passief gepensioneerden in het vervolg zonder verdere discussie worden meegenomen.

De jaren negentig
Na ruim anderhalf jaar overleg met de directie van Fluor B.V. wordt met ingang van 1 januari 1992 de pensioenregeling aanmerkelijk verbeterd door het verlagen van de opbouw van 1.75% naar 1.70% per dienstjaar en het verhogen van de backservicetoets van 1.50% naar eveneens 1.70% per dienstjaar. De kosten voor de verbetering kunnen gemakkelijk door het fonds zelf worden gefinancierd uit het beschikbare financieringsoverschot van ruim 13 miljoen euro

Op verzoek van de directie van Fluor B.V. wordt vervolgens uiterst voorzichtig gefaseerd overgegaan tot het beleggingen in zakelijke waarden en het, van jaar tot jaar nader overeen te komen, verlenen van (gedeeltelijke) premievrijstelling aan zowel de werkgever als aan de deelnemers.
Het besluit over te gaan tot premievrijstelling wordt in belangrijke mate ingegeven door de discussie in Nederland in het kader van de brede herwaardering en de noodzaak tot het rapporteren van de financiële resultaten van pensioenfondsen ingevolge FAS richtlijnen door de moedermaatschappij in de U.S.A.

Het bestuur gaat daar pas toe over nadat in een aanvulling op de lopende financieringsovereenkomst is overeengekomen dat Fluor Daniel B.V. zich bereid verklaard om, indien nodig, haar bijdrage te verhogen om het fonds in staat te stellen om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen.

Indien door onverwachte ontwikkelingen er toch nog een situatie zou ontstaan waarbij het totaal van de verplichtingen meer bedraagt dan het totaal van de bezittingen, wordt nog een extra clausule opgenomen waarbij de onderneming verklaart op eerste verzoek van de Verzekeringskamer zulke tekorten te zullen aanvullen.

Deze toevoeging is mede noodzakelijk omdat de toezichthouder eist dat een fonds een zodanig financieel beleid moet voeren dat het fonds te allen tijde aan haar verplichtingen moet kunnen voldoen.

De premie reserve van de pensioenverplichtingen wordt actuarieel vastgesteld op basis van een rekenrente van 4%. De dekkingsgraad mag derhalve niet lager zijn dan 100%.

De rendementen op zakelijke waarden zijn immer boven verwachting. De inflatie blijft ook in deze jaren bij voortduring op een laag niveau. Het fonds ontspaart vanaf 1993 door het geven van twee jaar volledige premievrijstellingen in de jaren daarna van 75%. De dekkingsgraad neemt in een keer af van 126% naar 114% maar blijft toch nog altijd ruim voldoende, stijgend tot 130% in 1999, daarna dalend. In 2001 wordt voor de laatste keer nog 50% premievrijstelling gegeven.

Vanaf 1992 moeten ook de premievrije aanspraken als gevolg van wetswijziging worden meegenomen als de ingegane pensioenen worden aangepast. De kosten van indexatie nemen aanmerkelijk toe maar kunnen toch nog relatief gemakkelijk worden opgebracht.

Met ingang van 1998 wordt deelgenomen aan het 4% circuit voor waardeoverdrachtt en een jaar later wordt overgegaan tot het actief meewerken aan de overdracht van oude premievrije aanspraken van alle actieve deelnemers volgens de regels van HET circuit.

M.i.v. 2005 wordt de pensioenregeling aangepast waarbij het opbouwpercentage wordt verlaagd en het partnerpensioen voor de helft wordt verzekerd op risicobasis.

In 2006 wordt het FTK ingevoerd, waarbij de waardering van de aanspraken tegen 4% rekenrente wordt vervangen door waardering tegen marktrente.

Vanaf 2013 zal de overheid de AOW leeftijd stapsgewijs verhogen naar leeftijd 67 (in 2023) Het regeerakkoord stelt voor dit te versnellen zodat leeftijd 67 bereikt wordt in het jaar 2021. Vervolgens zal de verhoging van de AOW leeftijd worden gekoppeld aan de levensverwachting.

M. i.v. 1 januari 2014 is de eindloonregeling gesloten voor nieuwe employes. De employes gaan vanaf deze datum aan een beschikbare premie regeling deelnemen die rechtstreeks wordt uitgevoerd door ABN Amro. De nieuwe pensioenregeling wordt buiten het gezichtsveld van het pensioenfonds uitgevoerd en betreft een rechtstreeks contract tussen de werkgever en ABN-Amro

Vanaf 2017 wordt er door de overheid, de vakbonden en de pensioenkoepels gewerkt aan een toekomstbestendig pensioenstelsel. De gemiddelde leeftijd van Nederlanders stijgt. Hierdoor nemen de pensioenkosten toe. Ook verandert de arbeidsmarkt en wisselen werknemers vaker van baan. Het is belangrijk dat het pensioenstelsel hierop aansluit. Daarom heeft het kabinet samen met werknemers- en werkgeversorganisaties een pensioenakkoord gesloten met afspraken over pensioenen en AOW.

In 2019 wordt er een Pensioenakkoord gesloten.
De belangrijkste afspraken uit dit pensioenakkoord zijn:
  • De AOW leeftijd stijgt minder snel
  • er komen betere pensioenafspraken voor mensen met zware beroepen
  • er komt een flexiber en persoonlijker pensioenstelsel
  • er komt een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.

  • Het Pensioenakkoord heeft uitwerking op het stapsgewijs verhogen van de AOW-leeftijd:

    In 2020 en 2021 is de AOW-leeftijd 66 jaar + 4 maanden
    In 2022 is de AOW-leeftijd 66 + 7 maanden
    In 2023 is de AOW-leeftijd 66 jaar + 10 maanden
    In 2024 gaat de AOW-leeftijd naar 67 jaar en wordt vervolgens gekoppeld aan de levensverwachting.